Fabeltjes en Sprookjes

fabeltjesensprookjesJosquin Desprez werd omstreeks 1450 in Henegouwen geboren. Het grootste deel van zijn leven heeft hij in Italië gewerkt. Eerst was hij als kapelzanger aan het hof van Milaan verbonden en een tiental jaren later vinden we hem als zanger bij de pauselijke kapel te Rome. Van 1495 tot 1499 leidde hij het Domkoor te Kamerijk. Hij sterft te Condé in 1521.

Tot in het midden van de 16e eeuw nemen de composities van Josquin  een belangrijke plaats in. Zijn muziek heeft een nauw verband tussen woord en toon. Met een groot gevoel voor humor componeerde hij een stuk voor de zanglustige vorst Lodewijk XII, die echter niet kon zingen. De partij, die voor de koning bestemd was, bevatte slechts één toon. Luther, een groot bewonderaar van Josquin Desprez verklaarde: “Musici doen wat de noten willen, Josquin doet met noten wat híj wil.”

Herman Strategier

kreeg zijn opleiding aan de R.-K. Kerkmuziekschool, het latere Nederlands Instituut voor Katholieke kerkmuziek, te Utrecht. Hij studeerde daar o.a. orgel bij Hendrik Andriessen. Strategier was op vele terreinen werkzaam: als leraar aan de conservatoria van Rotterdam, Den Haag en Utrecht en later het Instituut voor Muziekwetenschap van de Rijksuniversiteit Utrecht. Als dirigent van het Nederlands Madrigaalkoor verwierf hij grote faam, onder meer door de samenwerking met Bruno Maderna in het Holland Festival. Veel van zijn composities heeft hij geschreven voor het amateur muziekleven. Het idioom van zijn composities heeft relaties met de Franse muziek. Componisten als Fauré, Ravel en Poulenc werden door hem zeer bewonderd.

Aaron Copland

hoort bij de generatie Amerikaanse componisten, die probeerden Amerika muzikaal op hetzelfde niveau te krijgen als de Europese ontwikkelingen van die tijd. Stravinsky zei eens: “Waarom noemen we Copland een groot componist uit Amerika? Hij is een groot componist, punt uit.”

In de eerste fase van zijn muzikale ontwikkeling, houdt Copland zich bezig met het vinden van een serieuze stijl die toch Amerikaans klinkt. Zijn lerares, Nadia Boulanger, had hem aangemoedigd dit te doen, door te wijzen op de vreemde ritmes in zijn composities. Leonard Bernstein vond dat de ritmes van Copland het bewijs waren dat hij was opgegroeid met jazz en Amerikaanse be-bob. Deze ritmes dreven sommige Europese dirigenten tot wanhoop.

Gabriel-Urbain Fauré

Chopin, Wagner, Debussy, Schönberg en Stravinsky waren bekende tijdgenoten van Fauré. Toch ging deze componist zijn eigen unieke weg. Na een studie religieuze muziek in Parijs werkte hij vele jaren als organist en koordirigent. Samen met Saint-Saëns richtte hij de Société Nationale de Musique op. Pas aan het eind van zijn leven ontving Fauré erkenning voor zijn indrukwekkende muziekcomposities. In 1896 kreeg hij een benoeming als docent compositie aan het Parijse Conservatorium. Helaas werd hij doof, zodat hij in 1920 genoodzaakt was met zijn werkzaamheden te stoppen. Fauré was een van de weinigen die niet meedeed met de anti-Duitse trend om tijdens de Eerste Wereldoorlog geen Duitse componisten te spelen. Hij was van mening dat politieke conflicten geen reden zijn om artistieke bijdragen van een ander land te mijden.

Claire Croiza, een bekende sopraan die de titelrol in Pénélope voor hem zong, verklaarde dat Fauré een levende metronoom was, die, hoewel hij zich zeer galant gedroeg en buitengewoon gesteld was op mooie vrouwen, muziektechnisch geen enkel compromis accepteerde en een zeer strikt tempo aanhield.

Gabriel Fauré liet een groot repertoire van talloze composities na. Arthur Honneger zei ooit: “Ik ken geen andere musicus, misschien met uitzondering van Mozart of Schubert, die zo puur en uniek muziek heeft gecomponeerd als Fauré.”

Saint-Saëns maakte Fauré attent op de gedichten van Victor Hugo. Fauré koos o.a. het gedicht Les Djinns, uit de collectie Les Orientales, waarin hij het tempo constant houdt, maar gebruik maakt van crescendo en decrescendo om de lengte van de lijnen in het gedicht te kunnen volgen. Waarschijnlijk heeft Fauré zelf het koor op de piano begeleid bij de eerste uitvoering van het lied in 1876.

Fauré componeerde “Les Djinns” op een gedicht van Victor Hugo (1828) uit de cyclus l’Orient Profond. Het beschrijft het te voorschijn komen en weer verdwijnen van voorouderlijke schimmen (=Djinns). Het onderstaande gedeelte van Inferno (Hel) uit de Divina Comerdia van Dante ligt hieraan ten grondslag.

“En zoals de kraanvogels hun klaagtonen laten horen,

Hoog in de lucht vliegend in een lange rij;

Zo zag ik schimmen naderen die luidkeels jammerend

Door die razende storm werden meegesleurd.”

Robert H.G. Weirauch

studeerde aan het Conservatorium van Maastricht de hoofdvakken Piano UM bij Tonie Ehlen en Compositie bij John Slangen. Als pianist werkte hij mee aan vele cd- radio- en tv-opnamen. Hij is vaste begeleider van een aantal koren, daarnaast heeft hij regelmatig gastoptredens bij allerlei muziekverenigingen. Ook werkt hij als zangrepetitor bij operaprojecten. Als pianist is hij verder vast verbonden aan het ArToll Ensemble in Duitsland, voor wie hij in 1997 het stuk “The Plot Thickens” schreef, dat in het najaar 1999 op hun debuut cd “Unecht” verscheen. Verder componeerde hij onder meer een orkestwerk, een opera (naar een toneelstuk van Clive Barker), koorwerken en filmmuziek.

“Le Corbeau et Le Renard” (mei 1998), bestaat uit 5 delen, die beslist worden door de gebeurtenissen in de tekst:

1) “tableau”: schildering van de ontmoeting (laag vormtempo, liggende akkoorden)

2) het vleiende praatje van de vos (fugatische inzetten, die uiteindelijk steeds vast komen te hangen)

3) het drama: de kaas valt door de stommiteit van de raaf (veel “geluidseffecten” in het koor; de tekst werd al in het tweede deel zodanig ontrafeld, dat er nu enkel nog fonemen en losse flarden overblijven. Het drama zelf wordt fluisterend “verteld” (uit schaamtegevoel voor de raaf, die zich zo bij de snavel laat nemen)

4) het spottende afscheid van de vos (langzame terugkeer naar de rust van het begin)

5) de raaf blijft beschaamd achter (het stuk gaat als het ware “uit als een nachtkaars”)

De pianopartij blijft door het gehele stuk vooral in een ondersteunende en begeleidende rol; alleen in de laatste delen wordt de partij zelfstandiger, “distantieert” zich als het ware van de koorpartij.

Maurice Ravel

was een paar centimeter te kort om als vrijwilliger in het Franse leger te mogen dienen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij vond dat vreselijk, omdat hij diepe patriottische gevoelens koesterde. Toen hij niet mocht meevechten als soldaat, is hij een tijdlang als verpleger en chauffeur in dienst geweest. Zijn composities geven geen enkel bewijs van deze militaire ambities, in tegendeel, hij kopieerde de stijl van madrigalen uit de 16de eeuw en schreef vrolijke en ironische liederen in de geest van Rabelais. Hij vond het leuk op Spaanse wijze te componeren, Schubert, Chabrier en Borodin te imiteren en gebruikte stijlfiguren uit de jazz en barokmuziek, maar deed ook de briljante pianotechniek van Liszt en vele anderen, moeiteloos na.

Henk Badings

Henk Badings werd geboren op Java, maar groeide op in Nederland na de dood van zijn ouders. Hoewel hij toegaf aan de wens van zijn voogd paleontologie en geologie te studeren, leerde hij door zelfstudie compositie en muziektheorie. In 1930 werd zijn Symfonie no.1 uitgevoerd door het Concertgebouw Orkest waardoor er voldoende publieke en beroepsmatige belangstelling voor zijn werk ontstond wat hem in staat stelde een muziekcarrière op te bouwen. Hij gaf les aan diverse conservatoria en kreeg veel bekendheid als leraar en componist.

Boekenlegger op de permalink.

Reacties gesloten