Amerikaanse componisten

amerikaanse componistenVan de eerste generatie immigranten in Amerika zijn weinig composities bekend. Er werden wel stukken geschreven in 18e eeuwse Europese stijl, maar met veel vormfouten. De tweede 19e eeuwse generatie leverde alleen correct gestroomlijnde maar saaie composities op. Pas in de 20e eeuw ontstond een eigen Amerikaanse stijl vanuit een Neo-Europese stroming, gegrondvest door Roy Harris en Aaron Copland. Beiden studeerden in Parijs bij Nadia Boulanger, een pedagoge die veel jonge componisten doceerde. Belangrijk waren de lessen solfège, waar bijvoorbeeld madrigalen van Monteverdi en Gesualdo werden gezongen. Ook werden in deze lessen nieuwe werken van Schönberg en Stravinsky geanalyseerd.

In deze periode componeerde Copland als eerste werk zijn vier motetten. In 1924 werden ze voor het eerst uitgevoerd onder leiding van Melville Smith. Nadia Boulanger uitte zich zeer enthousiast over het resultaat.

De meeste verwantschap met deze werken vertoont Cowell’s ‘Spring at summer’s end’ voor vrouwenkoor. De overeenkomst zit vooral in de parallelle kwinten en kwarten die een sereen karakter aan de stukken geven.

Charles Ives componeerde met een meer gedurfde stijl. Zo is ‘psalm 67’ een experiment in bi-tonale stijl. Vrouwen en mannen zingen elk in een eigen toonsoort, wat een zeer wijds effect tot gevolg heeft. Aanleiding voor dit experiment was een ervaring die Ives had toen hij het fanfarekorps van zijn vader beluisterde terwijl het door de straten van New York liep. Door het Doppler-effect, dat we kennen van een voorbij rijdende ambulance, klonk het orkest in twee toonsoorten.

In Barber’s werken vinden we, zoals in die van Copland, elementen van de oude polyfonie, die ook Barber bestudeerde in Parijs en in Rome. Zijn ‘Adagio for strings’ kreeg grote bekendheid toen Toscanini het programmeerde voor een concert met radio-uitzending in 1938. Het ‘Agnus Dei’ is een arrangement van de componist zelf, gemaakt in 1967.

Evenals het ‘Adagio for strings’ kreeg ook ‘A stopwatch and an ordnance map’ een actuele betekenis in de Tweede Wereldoorlog. Het gedicht van Stephen Spender gaat over een gevallen soldaat in de Spaanse Burgeroorlog. De zetting voor mannenkoor en pauken is zeer dramatisch en sinister. In 1943 werd het uitgevoerd door een koor van het Amerikaanse leger in Washington. Omdat er geen bus beschikbaar was voor het vervoer van de pauken, werd het koor begeleid door piano.

‘Three reïncarnations’ zijn composities op teksten van James Stephens. De titel ‘reïncarnations’ wil zeggen dat de gedichten gebaseerd zijn op vertalingen van Keltische teksten. Deel een en drie bezingen de schoonheid van de vrouw. Mary Hynes was bekend als het mooiste meisje in het westen van Ierland. Op een opzwepende wijze wordt zij bezongen in diverse poëtische vergelijkingen. Meer lyrisch is de zetting van ‘The Coolin, the fair haired one’, dat vertaald kan worden als “het liefje met de mooie krullen”. In ‘Anthony O’Daly’ is de boom metafoor voor de martelaar Anthony O’Daly, die leider was van de verboden boerenorganisatie de Whiteboys. Hij werd ter dood veroordeeld, maar verraadde de andere leden van de organisatie niet. De muziek is zeer aangrijpend en de toon e die het hele stuk door klinkt, benadrukt het definitieve karakter van het vonnis.

Typisch Amerikaans zijn ook de negro-spirituals die wij uitvoeren in de zetting van de Engelsman Tippett. Oorspronkelijk hadden zij hun plaats in het oratorium ‘A child of our time’, waar ze de gevoelens van de toehoorder vertolkten, zoals de koralen in Bach’s Matthäus Passion. Tippett zelf arrangeerde de spirituals voor a capella koor, waardoor ze naar zijn eigen zeggen weer meer de krachtige stem van een onderdrukt volk zijn geworden.

De ‘Geographical Fugue’ van Ernst Toch, waarmee we ons concert besluiten, is het laatste deel van zijn suite ‘Spoken music’. Het werd voor het eerst uitgevoerd en opgenomen in Berlijn tijdens een festival voor hedendaagse muziek in 1930. Helaas is de opname verloren gegaan.

Boekenlegger op de permalink.

Reacties gesloten