Franse romantiek

Franse romantiekAan het eind van de vorige eeuw ontstond in Frankrijk een nieuwe stroming in de muziek, parallel aan de schilderkunst: het impressionisme. Kenmerkend was een transparant klankidioom met vloeiende melodiën boven accoorden die verrijkt werden met extra tonen, veelal septimen en nonen. Debussy, Ravel en Satie zijn bekende componisten uit die tijd, die voor veel Franse componisten na hun tijd met dit klankidioom letterlijk de toon hebben gezet.

Maurice Duruflé (1902 – 1986) combineerde de “Franse” klank met veel oudere elementen, zoals het gregoriaans, kerktoonsoorten en contra–puntische technieken. Hij was beroemd als organist, maar aarzelde om als componist naar buiten te treden. Maandenlang schaafde hij aan zijn composities en zijn totale oeuvre telt dan ook slechts veertien opusnummers, waarvan drie koorwerken. De motetten, die op gregoriaanse thema´s gebaseerd zijn, voltooide hij in 1960.

Olivier Messiaen (1908 – 1992) was ook organist. Zijn muziek heeft een geheel eigen klank, wat te verklaren is vanuit zijn interesse voor Oosterse muziek en later ook voor vogelzang, die hij zo precies als mogelijk is in noten vastlegde en verwerkte in zijn composities. Hij was een diep religieuze man en zijn bijna mystieke toonzetting van “O Sacrum Convivium” geeft goed weer, dat hij bij de communie, waar het stuk uit 1937 over gaat, de aanwezigheid van Christus zelf beleefde.

Francis Poulenc (1899 – 1963) componeerde als beginnend componist nauwelijks koormuziek. Daar kwam verandering in toen hij een goede vriend verloor ten gevolge van een auto-ongeluk. Hij ervoer de betrekkelijkheid van het leven en kreeg weer aandacht voor religie. Tot aan zijn dood schreef hij een groot aantal religieuze werken, waaronder het “Salve Regina” uit 1941. Naast de typisch Franse klank kenmerkt Poulenc´s muziek zich door de grote dynamische contrasten en de zeer eigen harmonische wendingen.

Paul Hindemith (1895 – 1963) is de enige niet- Franse componist in dit programma. Vanuit Duitsland week hij onder het Nazi-regime uit naar Zwitserland. Daar ontmoette hij de dichter Rilke die hem liet kennismaken met zijn werk, waaronder een reeks Franse gedichten. Hindemith componeerde op die teksten voor het plaatselijke koor de “Six Chansons”. Hij streefde in het componeren naar eenvoudigheid en een minimum aan pretenties, zonder simplistisch te worden. In deze liederen is hij daarin zeer goed geslaagd.

Camille Saint-Saëns is de derde componist die ook organist was en wel in de Madeleine Basiliek. Hij werd daar opgevolgd door een bekend geworden leerling van hem: Gabriël Fauré. De stijl van Saint-Saënns, die van de generatie vòòr Debussy was, is harmonisch gezien nog klassiek. Vooral in het tweede lied “Les fleurs et les arbres” valt zijn voorkeur voor lyrische melodiën op.

Claude Debussy (1862 – 1918) was zoals gezegd een voorloper in het impressionisme. Zijn muziek kenmerkt zich door subtiele klankschakeringen. Ook binnen het kleurenpalet van een koor, dat vergeleken met een orkest minder mogelijkheden bevat, zoekt hij naar extreme kleuren, bijvoorbeeld hoge mannenstemmen en lage vrouwenstemmen, afwisseling in solo en tutti en opvallende articulaties.

Boekenlegger op de permalink.

Reacties gesloten