Lamento

lamentoHet 22e project van Vocaal Ensemble Tiramisu staat in het teken van Italiaanse koormuziek. Geheel volgens de doelstelling van het koor hebben we vooral gekozen voor muziek uit de Romantiek en de twintigste eeuw. Het Requiem van Pizzetti is een vrij onbekend werk dat weinig wordt uitgevoerd vanwege zijn ongewone twaalfstemmige bezetting met vier vrouwenstemmen en acht stemmen voor tenoren en bassen!

De drie religieuze liederen van Verdi en Rossini zijn opvallend ingetogen en gevoelige a-capellawerken die je van deze boegbeelden van de operawereld niet zou verwachten.

Met Lamento d’Arianna van Monteverdi maken we een uitstapje naar muziek uit de vroege Barok. Deze mythologische klaagzang vormt door het uiterst dramatische karakter een prachtige thematische eenheid met de andere werken van dit programma.

Claudio Monteverdi (1567-1643): Lamento d’Arianna

Monteverdi was een van de meest invloedrijke Europese componisten van de late Renaissance op het moment dat het tijdperk van de Barok werd ingeluid. Grote veranderingen werden mede door Monteverdi in gang gezet. De polyfone vocale muziek maakte plaats voor liederen voor solisten begeleid door instrumentale ensembles waarin de basso continuo een essentiële plaats innam. Daarnaast verdrong ons huidige tonale systeem van majeur- en mineurtoonladders de tot die tijd gangbare kerktoonsoorten. Er ontstonden nieuwe compositiegenres zoals de cantate, het oratorium en de opera. Vooral de opera bood door het wereldlijke karakter de vrijheid om te experimenteren met nieuwe muzikale vormen.

Monteverdi was tot 1612 hofmusicus in Mantua, waar hij het vijfstemmige motet ontwikkelde. Aan het eind van deze periode schreef hij zijn eerste opera’s, waaronder in 1608 L’Arianna die over het mythologische verhaal van Ariadne en Theseus handelt. Het hart van deze opera, zoals Monteverdi zelf de Lamento d’Arianna typeerde, bewerkte hij tot een vijfstemmig motet dat in 1623 werd uitgegeven in zijn zesde Madrigalenboek. De tekst beschrijft het moment dat Ariadne door Theseus moederziel alleen wordt achtergelaten op het eiland Naxos, ten prooi aan wilde dieren. Het begint met Ariadnes wens om te sterven: “Lasciate mi morire”. Daarna volgt een emotionele aaneenschakeling van herinneringen en steeds wisselende gemoedsstemmingen die het stuk tot een voorbeeld maken van een “aria di pazzia”, letterlijk een aria van gekte.

Giuseppe Verdi (1813 – 1901): Quattro Pezzi Sacri

Nr. 1: Ave Maria

Nr. 3: Laudi alla Vergine Maria

De Quattro Pezzi Sacri zijn de laatste werken die Verdi in 1897 op hoge leeftijd componeerde. Tiramisu zingt in dit concert de twee delen die a capella gezongen worden. Het Ave Maria ontstond eigenlijk als een grap. Het is een harmonisatie van een scala enigmatica, een toonladder met bizarre intervallen die bedacht was door A. Crescentini, een professor in de muziekwetenschappen. Hij bestaat uit de tonen C – Des – E – Fis – Gis – Ais – B, met in de dalende versie de F in plaats van de Fis. Verdi puzzelde hierop samen met zijn vriend en collega Arrigo Boito aan wie hij schertsend schreef: “Misschien kan ik een werk met woorden op deze reeks maken, bijvoorbeeld een Ave Maria. Alweer een! Het zou mijn vierde zijn. Misschien kan ik dan zelfs in aanmerking komen voor heiligverklaring na mijn dood!” Hoewel Verdi het werk dus als een amusante uitdaging beschouwde, is het een technisch meesterwerk waarin de scala enigmatica als een cantus firmus door de verschillende stemmen klinkt, terwijl de overige stemmen er in een polyfonie omheen geweven zijn die niet onderdoet voor die van Palestrina.

Ook in de Laudi alla Vergine Maria laat Verdi zijn voorliefde voor het oude Italiaanse contrapunt duidelijk merken. Deze toonzetting van het slotlied van Dantes Paradiso doet ook weer denken aan de stijl van Palestrina, die door Verdi beschouwd werd als de muzikale vader van de Italiaanse muziek. Hiervan getuigt een brief die hij schreef aan de Duitse dirigent Hans von Bulow: “Jullie mogen je gelukkig prijzen dat jullie nog steeds de zonen van Bach zijn! Maar wij zijn de zonen van Palestrina, en wij hebben daarmee ook een grote traditie: ….onze eigen!”

Gioachino Rossini (1792 – 1868): O salutaris hostia

Het is een vrij onbekend feit dat Rossini naast vele opera’s ook een groot aantal werken schreef voor koor, solozang, piano en kamermuziekensembles. Nadat Rossini in ongeveer twintig jaar tijd bijna veertig vernieuwende opera’s had gecomponeerd, trok hij zich op het hoogtepunt van zijn carrière terug uit de operawereld. Reden hiervoor was een zenuwinzinking door de enorme werkdruk die zijn succes had meegebracht. Na jaren van herstel vestigde Rossini zich in 1855 in Parijs waar hij muzikale soirees organiseerde. Zelf componeerde hij vanaf die tijd nog honderden werken die in zijn salon hun première beleefden. Hieronder bevond zich ook de zetting van de hymne van Thomas van Aquinas: O salutaris hostia. Dit werk droeg Rossini op aan zijn vriend en biograaf d’Ortigue. Slechts enkele van die late werken vond Rossini publiciteitswaardig, hij noemde ze met enige zelfspot “Péchés de vieillesse” oftewel “ouderdomszondes”.

Ildebrando Pizzetti (1880 – 1968): Messa di Requiem

Pizzetti was van jongs af aan een leerling van Puccini. Op zijn dertigste probeerde hij echter uit rivaliteit de dominantie van de grote maestro te doorbreken. Puccini zou volgens Pizzetti een burgerlijke componist zijn die alleen in staat was de oppervlakkige gedragspatronen van de middenklasse in een muziekstuk om te zetten. Jaren later had dit conflict weer plaats gemaakt voor een innige, respectvolle vriendschap.

Pizzetti was werkzaam in de operawereld, maar schreef ook symfonische stukken en kamermuziek, waaronder liederen en koorwerken. Hij ontwikkelde via een impressionistische fase een neoklassieke stijl van componeren. Gregoriaanse melodieën en de Italiaanse polyfonie uit de Renaissance waren voor hem belangrijke inspiratiebronnen. De Requiemmis uit 1922 bevat de helderheid in klank en de transparante structuur die de vroege polyfonie karakteriseert. Het Dies Irae is geheel op de Gregoriaanse melodie gebaseerd. De compositiestijl varieert qua bezetting van éénstemmig tot twaalfstemmig. Dit is een kenmerk van de geïmproviseerde polyfone volksliedtraditie die Pizzetti kende van de Noord-Italiaanse regio Emilia-Romagna waar hij opgroeide.

Boekenlegger op de permalink.

Reacties gesloten