Martinu

MartinůIn dit concert laten wij werken horen die hun oorsprong vinden in de volksmuziek van Midden-Europa. De componisten Brahms, Bartók en Martinu gebruikten de volksmuziek ieder op hun eigen wijze om kunstmuziek te componeren. De twee werken van Ferenc (Franz) Liszt, Hongaar van oorsprong die vooral bekendheid kreeg in Wenen en Parijs, zijn bedoeld als afwisselende onderbreking.

Béla Bartók deed samen met collega Zoltan Kodaly onderzoek naar de volksmuziek in Hongarije en de omringende landen. Uitgerust met pen en papier en soms ook eenvoudige opname-apparatuur, trokken zij boerendorpen langs om de volksmuziek vast te leggen. In de vier Slowaakse liederen (1917) zijn deze melodieën duidelijk aanwezig. Het zijn echt gebruiksmelodieën: ze bestaan uit weinig verschillende tonen en ze zijn gemakkelijk te zingen. Het ritme van de taal is zeer typerend en voor onze westerse oren niet vanzelfsprekend. De pianobegeleiding ondersteunt en benadrukt het ritmische karakter van deze muziek en zet soms de luisteraar ook harmonisch op het verkeerde been.

Johannes Brahms schreef zeer veel vocale werken. Naast ongeveer 200 sololiederen componeerde hij zo’n 45 koorwerken die hij met zijn eigen koren uitvoerde. In 1887 attendeerde de Weense koopman Hugo Conrat hem op een door hem vertaalde Hongaarse volksliedverzameling. Brahms maakte er een cyclus van 11 liederen van voor vier stemmen en piano, waarvan hij er later enkele tot sololied bewerkte. Hoewel Brahms geen kopie van Hongaarse volksmuziek tot doel had, is een Hongaarse stijl duidelijk aanwezig. Hij maakt bijvoorbeeld veel gebruik van de typisch Hongaarse 2/4 maat, snelle tempi en korte voorslagen (vooral in nr. 2). In nr. 5 en 10 imiteert Brahms in de veeleisende pianobegeleiding de cimbaal, een veel gebruikt instrument in de Hongaarse volksmuziek.

Bohuslav Martinu groeide op in de kerktoren van Policka tussen Bohemie en Moravië, waar zijn vader klokkenluider was. De omgeving was bergachtig, ruig en arm. Toen hij in 1923 een beurs won trok hij naar Parijs om les te nemen bij Albert Roussel. In 1940 vluchtte hij voor de nazi’s naar Amerika waar hij op verschillende plekken compositie doceerde. In 1953 keerde hij terug naar Europa waar hij in 1958 in Basel overleed. Het verlaten van zijn vaderland versterkte zijn band met Tsjechisch nationalisme en folklore. In 1955 kreeg hij een aantal gedichten van Miloslav Bures, een dichter uit zijn geboortedorp Policka, in handen. Martinu maakte op deze teksten een cyclus van vier werken, parallel aan de vier jaargetijden. Mikeš z hor is het winterverhaal. Het is een legende uit Frysova over Mikeš, een slimme geitenhoeder die zijn witte kudde naar de bergtop leidt, zodat Koning Winter denkt dat de top al met sneeuw bedekt is. Zo zorgt Mikeš voor een zachte winter, zonder kou en vorst. De compositie is een afwisseling van begeleide en a-capella solorecitatieven, gevarieerde koordelen en instrumentale polka’s als intermezzo. De nostalgie en de liefde voor het vaderland, maken het tot een van de meest ontroerende stukken van Martinu. Wij zijn blij de Nederlandse première van dit werk te kunnen geven.

Boekenlegger op de permalink.

Reacties gesloten