Poulenc

PoulencDe muziek van Poulenc wordt gekenmerkt door twee tegengestelde karakters. Enerzijds is er een aanstekelijke vrolijkheid. Vaak klinken de straat, het circus en de music-hall mee in zijn muziek, die grappig en vulgair maar ook elegant en sensueel kan zijn. De andere Poulenc is een mens van vrome ernst. De musicoloog Claude Rostand zei: “In Poulenc wonen twee zielen – die van een monnik en die van een kwajongen”.

Zijn inspiratie is primair melodisch/vocaal. Hij beschouwde zichzelf dan ook vooral als liedcomponist. Daarbij zijn harmonieën een belangrijk element in zijn stijl; van mierzoet tot provocerend dissonant en vaak close-harmony, maar ondanks de variëteit altijd duidelijk herkenbaar.

Grote voorbeelden voor Poulenc waren Satie en Stravinsky, evenals diverse meesters uit de renaissance en de barok, die zijn neoklassieke stijl bepalen.

In de late jaren ’30 bleek Poulenc plotseling een componist van een grotere ernst dan velen hadden verwacht. Van grote artistieke invloed werden zijn samenwerking met de dichter Paul Eluard, zoals in Un Soir de Neige, uitgevoerd door Tiramisu in dit Poulenc project, en met de zanger Pierre Barnac die in 1934 ontstond.

De dreiging van de tweede wereldoorlog viel samen met een grote persoonlijke crisis, waarbij de dood van een intieme vriend door een auto-ongeluk (1936) hem enorm aangreep. Poulenc maakte een pelgrimstocht naar Rocamadour waar het beeld van de Zwarte Maagd wordt vereerd. Hij had daar een mystieke ervaring, en schreef vervolgens in datzelfde jaar zijn Litanies à la Vierge Noire, uitgevoerd door Vocaal Ensemble Tiramisu in een vorig project. De Quatre motets pour un temps de pénitance (1938-’39) sluiten de reeks koorwerken af die daarop volgde.

Frank Martin was een Zwitsers componist, leerling van de componist en pedagoog Joseph Lauber. Na zijn middelbare school studeerde hij eerst twee jaar wis- en natuurkunde, maar de muziek -–die hem vanaf zijn tiende jaar, toen hij een uitvoering bijwoonde van Bachs Matthäus Passion, volledig in de ban hield– won het tenslotte volledig.

In 1911 wordt voor het eerst werk van hem uitgevoerd. Deze composities staan nog geheel onder invloed van componisten als Franc en Fauré; later werk toont invloeden van Ravel, maar geleidelijk klinkt een hoogst oorspronkelijk eigen geluid door in zijn werk, een geluid dat hem tot een van de meest markante componisten van zijn generatie maakt. De soms bijna agressieve strijdvaardigheid van de avant-gardisten is hem volkomen vreemd. Zijn muziek is mannelijk en beminnelijk tegelijk, diep menselijk, sterk bewogen, maar nimmer dramatisch of geëxalteerd.

Vanaf 1946 woonde Martin in Nederland.

Een mis voor dubbel koor is geschreven in 1922, het Agnus Dei is in 1926 eraan toegevoegd en wordt beschouwd als een van de mooiste a capella koorwerken van de 20-ste eeuw.

Frank Martin heeft korte liederen, zoals Petite Eglise, gecomponeerd voor verschillende Zwitserse muziekorganisaties.

Rudolf Escher
Rudolf George Escher werd op 8 januari 1912 in Amsterdam geboren als zoon van de geoloog en mineraloog Berend George Escher en de Zwitserse Emma Brosy. Zijn vader zou later hoogleraar in Leiden worden. Met de graficus M.C. Escher, een halfbroer van zijn vader, deelt Rudolf Escher nu een postume roem, maar wanneer het over zaken als muziek en beeldende kunst ging verschilden de twee Eschers diepgaand van inzicht.

Van zijn vierde tot zijn negende jaar woonde Rudolf Escher met zijn ouders in Batavia, waar de tropische natuur en het pianospel van zijn vader in werken van Bach, Beethoven, Brahms en Debussy een onuitwisbare indruk op hem maakten. Het was ook daar, dat hij van zijn vader de eerste pianolessen kreeg.

In 1922 vestigde de familie zich in Leiden en zette de jonge Escher zijn piano-onderricht voort bij mevrouw Bé Hartz. Na vier jaar gymnasium besloot hij zijn schoolopleiding af te breken en zich voortaan geheel aan de muziek te wijden, met name aan componeren. Ter voorbereiding op een conservatoriumopleiding in Keulen begon hij op advies van Peter van Anrooy serieus piano te studeren; daarnaast volgde hij viool- en harmonielessen. In plaats van naar Keulen ging hij in 1931 echter naar het Toonkunst-Conservatorium in Rotterdam, waar hij aanvankelijk hoofdvak piano en bijvak cello studeerde. Nadat hij zich onder leiding van de strenge Rotterdamse organist J.H. Besselaar jr. ook vertrouwd had gemaakt met het contrapunt, dat later in zijn componeren een zo voorname rol zou spelen, was hij van 1934 tot 1937 compositieleerling van Willem Pijper.

In 1937 huwde hij met Beatrijs Jongert en tot het bombardement van 14 mei 1940, waarbij de meeste van zijn vroege composities verloren gingen, woonde hij in Rotterdam. Na de oorlogstijd, die hij vrijwillig buiten het officiële muziekleven doorbracht in Reeuwijk en Oegstgeest, vestigde Escher zich voor de rest van zijn leven in Amsterdam, waar hij behalve als componist werkzaam was als medewerker voor beeldende kunst en muziek bij de Groene Amsterdammer (1945/46) en als bestuurslid van de Nederlandse Opera (1946/51), de Stichting Nederlandsche Muziekbelangen (1947/62) en de Nederlandse Vereniging voor hedendaagse Muziek (1961/62). Gedurende de jaren 1959/61 verdiepte hij zich in Delft in de toonkunstfysica en werkte hij in studio’s voor elektronische muziek in Delft en Utrecht.

Nadat hij het studiejaar 1960/61 al had gedoceerd aan het Amsterdams Conservatorium, was hij van 1964 tot 1977 wetenschappelijk hoofdmedewerker aan het Instituut voor Muziekwetenschap van de Rijksuniversiteit Utrecht met als leeropdracht “Aspecten van de hedendaagse muziek”. In 1979 openbaarde zich de ongeneeslijke leverziekte waaraan hij in de nacht van 16 op 17 maart 1980 in De Koog (Texel) overleed.

Woorden van Escher:

“Het allermoeilijkst is modern te componeren in een langzame Satz. Een herkenbare melodie te schrijven in klein bestek, dus b.v. voor de beperkte omvang van de stem, zonder ritmische verdoezelingen of de klankeffecten van diverse instrumenten” (1952)

“Koor is een ongelooflijk subtiele materie”, schreef Rudolf Escher in 1958 aan zijn collega Peter Schat. Binnen Eschers oeuvre nemen de composities voor koor a capella een aanzienlijke plaats in. Bovendien hield Escher van poëzie, die hij op muziek zette en hij spande zich tot het uiterste in om een zingbare en verstaanbare transformatie van de tekst in muziek te bewerkstelligen, waarbij hij teruggreep naar muziektechnieken van eeuwen geleden. Ciel, air et vents (1957), drie gebundelde liederen op tekst van Pierre de Ronsard (1524-1588) zijn als één geheel gecomponeerd.

Hendrik Andriessen verving al op tienjarige leeftijd af en toe zijn vader op het orgel van de St. Jozefkerk in Haarlem, zijn geboorteplaats. Na een studie op het Conservatorium van Amsterdam ontwikkelde Andriessen een eigen stijl en heeft veel bijgedragen aan het Nederlandse religieuze muziekrepertoire. Naast zijn werkzaamheden als componist, musicus en docent van o.a. Herman Strategier en Albert de Klerk, schreef hij talrijke muziekrecensies en beschouwingen over het Nederlandse muziekleven.

Van hem is de uitspraak: “Het voornaamste muziekinstrument is het goedkoopste: de menselijke stem. Het is ook het duurste, want het stelt de hoogste eisen en veplichtingen!”

Alphons Diepenbrock
Dat de chromatiek omstreeks 1900 in overvloedige mate ook in Nederland tot het muzikale idioom behoorde, wordt gedemonstreerd door Alphons Diepenbrock, die vooral als een vocaal componist te boek staat. Hij heeft onder andere verschillende Reien uit de Gijsbrecht getoonzet. Diepenbrocks Chanson d’automne verscheen ruim een jaar na het overlijden van de dichter Paul Verlaine (1896), als de muziekbijdrage van de Kroniek van 2 januari 1898. Diepenbrock maakt gebruik van lange melodische legato-lijnen in het in mineur gecomponeerde stuk, dat zich kenmerkt door een soepel vloeiend ritme (tempo rubato, poco lento poco dolente).

Albert de Klerk is een geboren Haarlemmer: in 1917 aanschouwde hij het levenslicht in de Bavo-stad. Op 16-jarige leeftijd volgde hij zijn leraar Hendrik Andriessen eerst op als organist aan de Haarlemse St. Jozefkerk en in 1946 wederom als hoofdleraar in het orgelspel aan de Kerkmuziekschool te Utrecht. Albert de Klerk, stadsorganist te Haarlem, is eveneens de componist van een omvangrijk oeuvre dat orgelwerken, kamermuziek, liederen, koorwerken en een mis omvat.

Het ouderlijk huis van Albert de Klerk stond naast dat van Hendrik Andriessen aan de Bakenessergracht in Haarlem. Hoewel hij als componist, koordirigent en pedagoog lauweren oogstte, heeft hij de kerkmuziek altijd hoog in ere gehouden, een eigenschap die hij met Hendrik Andriessen gemeen heeft. Ook voor de Klerk horen religie en cultuur bij elkaar.

Herman Strategier studeerde orgel en compositie bij Hendrik Andriessen, die hij opvolgde als organist van de Kathedraal te Utrecht. Als dirigent gaf hij leiding aan het Nederlands Madrigaalkoor te Leiden, waarmee hij menig nieuwe koorcompositie voor het eerst uitvoerde.

Het oeuvre van Strategier bestaat uit een kleine vierhonderd werken waarvan de stijl zich kenmerkt als gematigd modern. Als kerkcomponist behoort hij, met Jan Mul en Albert de Klerk, tot de groep die wel wordt aangeduid met de naam “Tres Pueri” (Drie Jongelingen), naar aanleiding van hun Missa Trium Puerorum, door deze drie componisten samen geschreven ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van hun leraar Hendrik Andriessen.

Als componist ontwikkelde Strategier, na in het voetspoor gelopen te hebben van Hendrik Andriessen, zijn eigen stijl. Hij streefde ernaar een doorzichtige klank te bereiken door overladenheid te vermijden.

Boekenlegger op de permalink.

Reacties gesloten