|
RheinbergeR
en RegeR
Najaarsproject
september-november 2009, de R zit weer in de maand. Tijd voor
Rheinberger en Reger. Vocaal Ensemble Tiramisu zingt van deze
belangrijke vertegenwoordigers van de Duitse Hoogromantiek twee
prachtige werken: Mis in G opus 151 en Acht Geistliche
Gesänge opus 138. De combinatie met de eigentijdse klanken van
de onbekende componisten Schanderl en Swider maakt het tot een
programma dat aansluit aan bij onze doelstelling: verrassende
koormuziek uit de onbekendheid omhoog tillen en combineren met
muziek die een groot publiek weet te waarderen.
Josef Gabriel Rheinberger
(1839 – 1901)
Toen Rheinberger
in 1877 hofkapelmeester van de Beierse koning Ludwig II werd,
bekleedde hij de meest centrale en traditierijke positie in de
Duitse katholieke kerkmuziek op dat moment. Van december tot mei
verzorgde hij de muziek van de diensten in de Allerheiligen-hofkapel
in München, iedere zondag een mis en twee motetten. Hiervoor had hij
de beschikking over een koor van veertig goed opgeleide zangers.
Rheinberger kon zich geen betere positie wensen en hij spande zich
ervoor in het repertoire te verrijken door veel werken uit de 16e
– 18e eeuw uit te schrijven en zelf veel nieuwe
kerkmuziek te componeren. Dit had sinds zijn vroege jeugd al zijn
voorliefde, als jongetje van 7 jaar componeerde hij zijn eerste stuk
voor het kerkkoor van de kerk waar hij orgel speelde in de diensten.
Het was een
lastige tijd voor de kerkmuziek. De reformatie zorgde voor inperking
van de muzikale expressie. Er kwamen lijsten met werken die geschikt
werden geacht voor de liturgie. Instrumentale muziek werd als
verlengstuk van de wereldse opera gezien en daarom steeds meer
verboden. Hierdoor bloeide de a-capella muziek op. De oude
vertrouwde stijl van Palestrina waarin de verstaanbaarheid van de
tekst gewaarborgd was werd weer favoriet en als dwingend keurslijf
aan hedendaagse componisten opgelegd. Rheinberger werd om de
harmonische vrijheden die hij nam bekritiseerd, maar voelde zich
naar zijn zeggen verplicht aan de kunst om met de muzikale taal van
zijn tijd uitdrukking te geven aan de teksten.
De Mis in G
opus 151 componeerde Rheinberger in 1882 tijdens de
zomervakantie. Deze mis valt op door de prachtige harmonieën en
rijke dynamiek die met eenvoudige middelen worden opgebouwd. De
ondertitel was oorspronkelijk ‘Sanctae crucis’, waarschijnlijk omdat
de eerste twee uitvoeringen in 1883 en 1884 tijdens de lijdensweek
plaatsvonden.
Max Reger (1873 – 1916)
Toen men Max Reger op 11 mei
1916 dood aantrof in zijn hotelkamer in Leipzig, lag de
gecorrigeerde versie van de Acht Geistliche Gesänge opus 138
op zijn bureau. Het werk lag open bij het beginkoor “Der Mensch lebt
und bestehet nur eine kleine Zeit”.
Max Reger stierf
na een kort maar turbulent leven vol van musiceren en componeren,
dat hem zowel geestelijk als lichamelijk totaal had uitgeput. Naast
de 146 opusnummers componeerde hij ook nog eens 250 niet
geregistreerde werken, waaronder een omvangrijk oeuvre voor
kamermuziekbezetting en orgel. Typerend voor zijn werk is de naar
hem genoemde Reger-Harmoniek, waarmee bedoeld wordt dat alle
mogelijkheden van het twaalftoonsspectrum benut worden gebruik
makend van de traditionele harmonische middelen. Veel van Regers
werken vertonen een hoge dichtheid aan harmonische wendingen,
waarvan de richting voor de luisteraars vaak totaal onvoorspelbaar
is. Veel tijdgenoten uitten hierop stevige kritiek, zoals de
muziektheoreticus Walter Krug: “Regers muziek was niet om te horen,
alleen om te lezen. Ik geloof zelfs niet dat hij oren had.” Een
andere criticus meende dat het beginaccoord van Regers vioolsonate
opus 72 “…. zo weinig met C-groot te maken had als een krokodil met
een kerstboom.”
Reger had echter
ook bewonderaars zoals Arnold Schönberg die hem een genie noemde.
Reger schreef de
Acht Geistliche Gesänge opus 138 nadat hij tot zijn
teleurstelling was afgekeurd voor militaire dienst toen de Eerste
Wereldoorlog uitbrak.
De teksten voor
de gezangen koos hij zelf. Naast het openingskoraal van Matthias
Claudius zijn het voornamelijk gedichten uit de 15e en 16e
eeuw, en zelfs enkele anonieme teksten uit de kruisvaardertijd. De
teksten laten zien dat Reger begaan was met de moeilijke
omstandigheden die de oorlog met zich meebracht. Er spreekt een roep
om hulp uit en een diep vertrouwen dat die hulp van God alleen
verwacht kan worden.
De compositie
onderscheidt zich muzikaal van de meeste werken van Reger door de
overzichtelijke helderheid van de koraalachtige gezangen. Waar
andere motetten van Reger sterk aan muziek van Bach doen denken,
ademen deze gezangen de sfeer van vroegere componisten als Schütz en
Scheidt. Hun werken kenmerken zich door het gebruik van
kerktoonsoorten en een heldere strengdoorgevoerde structuur. De
harmonisering is voor Reger’s doen ascetisch bescheiden. De charme
ligt veeleer in de zinsstructuur en de uitdrukking van de tekst in
muziek die tot een grote eenheid van spraak en klank leidt. Zo maakt
Reger in de eerste akkoorden van het Nachtlied voelbaar dat
het hier om de nacht als metafoor voor de dood gaat.
Hans Schanderl (1960)
De Duitse
componist Hans Schanderl woont en werkt in Berlijn. Zijn meest
succesvolle werken zijn composities voor koor die hij vaak schreef
in opdracht van ambitieuze amateurkoren en professionele ensembles.
Zijn stijl wordt bepaald door zeer diverse invloeden. Tijdens zijn
studie volgde hij een semester lessen aan het conservatorium voor
klassieke Turkse muziek in Istanbul. Ook reisde hij naar India en
Guinea waar hij zich verdiepte in niet-westerse harmoniek en
ritmiek.
Schanderl vindt
de Europese vocale muziek te beperkt. Hij zoekt in zijn werken naar
nieuwe expressievormen door de grenzen van spreken, zingen en
schreeuwen op te zoeken, zoals de acrobatiek van vocal percussion.
Gebet
schreef hij in 2003 voor het Fellbach Philharmonisch Koor. De tekst
is een gedicht van Eduard Mörike, op wiens teksten ook Hugo Wolf en
Hugo Distler diverse werken componeerden. Opvallend zijn de clusters
die op elkaar gestapeld worden. Ze lossen niet op, maar worden
afgebroken en maken plaats voor nieuwe stapelingen. Het
middengedeelte, gebaseerd op het woord ‘Freude’, waaiert in
schommelende figuren in 6/8 maat uit naar een 8-stemmige textuur.
Het laatste gedeelte wordt aangeduid met ‘mild en bescheiden’ en
komt tot rust in het lage register.
Józef Swider (1930)
De Poolse
componist Józef Swider studeerde piano, muziektheorie en compositie
in Katowice en later in Rome bij Goffredo Petrassi. Hij is nu ruim
40 jaar docent compositie en muziektheorie aan de Muziekacademie in
Katowice. Daarnaast is hij actief in de Poolse koorliga als
adviseur, jurylid en componist. Hij schreef diverse opera’s, werken
voor vocale ensembles en orkest en meer dan 250 a-capella
koorwerken.
Het Pater
Noster maakt deel uit van een reeks religieuze werken die Swider
componeerde in de jaren ’80. De stijl van deze werken is
post-romantisch. Het Pater Noster is gebaseerd op modaliteit
die teruggrijpt naar muziek uit de Renaissance. Opvallend zijn de
reciterende gedeeltes, die uiteindelijk tot een letterlijk prevelend
gebed leiden. Het is een lyrisch werk met een zeer emotionele
tekstexpressie.
|