home

nieuws

informatie

projecten

concerten

repetities

audio

contact

 

project 29

Rheinberger en Reger

najaar 2009

 

 

 

 

 

 

boekje

deelnemers

 

 

 

 

 

zomerkoor

recepten

links

repertoire

Josef Gabriel Rheinberger
Mis in G, opus 151

Max Reger
Acht geistliche Gesänge, opus 138

Hans Schanderl
Gebet

Józef Swider
Pater Noster


Toelichting bij het programma

 

RheinbergeR en RegeR 

Najaarsproject september-november 2009, de R zit weer in de maand. Tijd voor Rheinberger en Reger. Vocaal Ensemble Tiramisu zingt van deze belangrijke vertegenwoordigers van de Duitse Hoogromantiek twee prachtige werken: Mis in G opus 151 en Acht Geistliche Gesänge opus 138.  De combinatie met de eigentijdse klanken van de onbekende componisten Schanderl en Swider maakt het tot een programma dat aansluit aan bij onze doelstelling: verrassende koormuziek uit de onbekendheid omhoog tillen en combineren met muziek die een groot publiek weet te waarderen.   

Josef Gabriel Rheinberger (1839 – 1901)

Toen Rheinberger in 1877 hofkapelmeester van de Beierse koning Ludwig II werd, bekleedde hij de meest centrale en traditierijke positie in de Duitse katholieke kerkmuziek op dat moment. Van december tot mei verzorgde hij de muziek van de diensten in de Allerheiligen-hofkapel in München, iedere zondag een mis en twee motetten. Hiervoor had hij de beschikking over een koor van veertig goed opgeleide zangers. Rheinberger kon zich geen betere positie wensen en hij spande zich ervoor in het repertoire te verrijken door veel werken uit de 16e – 18e eeuw uit te schrijven en zelf veel nieuwe kerkmuziek te componeren. Dit had sinds zijn vroege jeugd al zijn voorliefde, als jongetje van 7 jaar componeerde hij zijn eerste stuk voor het kerkkoor van de kerk waar hij orgel speelde in de diensten.

Het was een lastige tijd voor de kerkmuziek. De reformatie zorgde voor inperking van de muzikale expressie. Er kwamen lijsten met werken die geschikt werden geacht voor de liturgie. Instrumentale muziek werd als verlengstuk van de wereldse opera gezien en daarom steeds meer verboden. Hierdoor bloeide de a-capella muziek op. De oude vertrouwde stijl van Palestrina waarin de verstaanbaarheid van de tekst gewaarborgd was werd weer favoriet en als dwingend keurslijf aan hedendaagse componisten opgelegd. Rheinberger werd om de harmonische vrijheden die hij nam bekritiseerd, maar voelde zich naar zijn zeggen verplicht aan de kunst om met de muzikale taal van zijn tijd uitdrukking te geven aan de teksten.

De Mis in G opus 151 componeerde Rheinberger in 1882 tijdens de zomervakantie. Deze mis valt op door de prachtige harmonieën en rijke dynamiek die met eenvoudige middelen worden opgebouwd. De ondertitel was oorspronkelijk ‘Sanctae crucis’, waarschijnlijk omdat de eerste twee uitvoeringen in 1883 en 1884 tijdens de lijdensweek plaatsvonden.

Max Reger (1873 – 1916)

 

Toen men Max Reger op 11 mei 1916 dood aantrof in zijn hotelkamer in Leipzig, lag de gecorrigeerde versie van de Acht Geistliche Gesänge opus 138 op zijn bureau. Het werk lag open bij het beginkoor “Der Mensch lebt und bestehet nur eine kleine Zeit”.

Max Reger stierf na een kort maar turbulent leven vol van musiceren en componeren, dat hem zowel geestelijk als lichamelijk totaal had uitgeput. Naast de 146 opusnummers componeerde hij ook nog eens 250 niet geregistreerde werken, waaronder een omvangrijk oeuvre voor kamermuziekbezetting en orgel. Typerend voor zijn werk is de naar hem genoemde Reger-Harmoniek, waarmee bedoeld wordt dat alle mogelijkheden van het twaalftoonsspectrum benut worden gebruik makend van de traditionele harmonische middelen. Veel van Regers werken vertonen een hoge dichtheid aan harmonische wendingen, waarvan de richting voor de luisteraars vaak totaal onvoorspelbaar is. Veel tijdgenoten uitten hierop stevige kritiek, zoals de muziektheoreticus Walter Krug: “Regers muziek was niet om te horen, alleen om te lezen. Ik geloof zelfs niet dat hij oren had.” Een andere criticus meende dat het beginaccoord van Regers vioolsonate opus 72 “…. zo weinig met C-groot te maken had als een krokodil met een kerstboom.”

Reger had echter ook bewonderaars zoals Arnold Schönberg die hem een genie noemde.

Reger schreef de Acht Geistliche Gesänge opus 138 nadat hij tot zijn teleurstelling was afgekeurd voor militaire dienst toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak.

De teksten voor de gezangen koos hij zelf.  Naast het openingskoraal van Matthias Claudius zijn het voornamelijk gedichten uit de 15e en 16e eeuw, en zelfs enkele anonieme teksten uit de kruisvaardertijd.  De teksten laten zien dat Reger begaan was met de moeilijke omstandigheden die de oorlog met zich meebracht. Er spreekt een roep om hulp uit en een diep vertrouwen dat die hulp van God alleen verwacht kan worden.

De compositie onderscheidt zich muzikaal van de meeste werken van Reger door de overzichtelijke helderheid van de koraalachtige gezangen. Waar andere motetten van Reger sterk aan muziek van Bach doen denken, ademen deze gezangen de sfeer van vroegere componisten als Schütz en Scheidt. Hun werken kenmerken zich door het gebruik van kerktoonsoorten en een heldere strengdoorgevoerde structuur. De harmonisering is voor Reger’s doen ascetisch bescheiden. De charme ligt veeleer in de zinsstructuur en de uitdrukking van de tekst in muziek die tot een grote eenheid van spraak en klank leidt. Zo maakt Reger in de eerste akkoorden van het Nachtlied voelbaar dat het hier om de nacht als metafoor voor de dood gaat.

Hans Schanderl (1960) 

De Duitse componist Hans Schanderl woont en werkt in Berlijn. Zijn meest succesvolle werken zijn composities voor koor die hij vaak schreef in opdracht van ambitieuze amateurkoren en professionele ensembles. Zijn stijl wordt bepaald door zeer diverse invloeden. Tijdens zijn studie volgde hij een semester lessen aan het conservatorium voor klassieke Turkse muziek in Istanbul. Ook reisde hij naar India en Guinea waar hij zich verdiepte in niet-westerse harmoniek en ritmiek.

Schanderl vindt de Europese vocale muziek te beperkt. Hij zoekt in zijn werken naar nieuwe expressievormen door de grenzen van spreken, zingen en schreeuwen op te zoeken, zoals de acrobatiek van vocal percussion.

Gebet schreef hij in 2003 voor het Fellbach Philharmonisch Koor. De tekst is een gedicht van Eduard Mörike, op wiens teksten ook Hugo Wolf en Hugo Distler diverse werken componeerden. Opvallend zijn de clusters die op elkaar gestapeld worden. Ze lossen niet op, maar worden afgebroken en maken plaats voor nieuwe stapelingen. Het middengedeelte, gebaseerd op het woord ‘Freude’, waaiert in schommelende figuren in 6/8 maat uit naar een 8-stemmige textuur. Het laatste gedeelte wordt aangeduid met ‘mild en bescheiden’ en komt tot rust in het lage register.  

Józef Swider (1930)

De Poolse componist Józef Swider studeerde piano, muziektheorie en compositie in Katowice en later in Rome bij Goffredo Petrassi. Hij is nu ruim 40 jaar docent compositie en muziektheorie aan de Muziekacademie in Katowice. Daarnaast is hij actief in de Poolse koorliga als adviseur, jurylid en componist. Hij schreef diverse opera’s, werken voor vocale ensembles en orkest en meer dan 250 a-capella koorwerken.

Het Pater Noster maakt deel uit van een reeks religieuze werken die Swider componeerde in de jaren ’80. De stijl van deze werken is post-romantisch. Het Pater Noster is gebaseerd op modaliteit die teruggrijpt naar muziek uit de Renaissance. Opvallend zijn de reciterende gedeeltes, die uiteindelijk tot een letterlijk prevelend gebed leiden. Het is een lyrisch werk met een zeer emotionele tekstexpressie. 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 Deze pagina is bijgewerkt op donderdag 31 december 2009 17:37