|
Toelichting bij het programma
Petr Eben (1929), een Tjechische componist, schreef over
zijn in 1982 geschreven werk 'Fantasie für Bratsche und Orgel': 'de
donkere, scherpe klank van de altviool in combinatie met orgel riep in
mij de voorstelling van de adventsstemming op'. Daarom koos ik als
citaat de introïtus van de vierde adventszondag, het gregoriaanse 'Rorate
Coeli Desuper'.
De compositie begint met een onrustig flakkerend motief van het orgel,
dat aan het eind van het stuk terugkeert. Pas met de inzet van de
altviool ontwikkelt zich - in dialoog met het orgel - steeds meer het
gregoriaanse thema. Het hele verloop van het stuk is de geleidelijke
overgang van donker naar licht, zoals in de adventstijd.
Henk Badings (1907-1987), schreef zijn 'Quempas voor altviool en orgel'
in 1967 ter gelegenheid van de vierde zondag voor Advent. Ook in dit
stuk is sprake van gregoriaanse antifoon.
Ildebrando Pizzetti (1880-1968) had in zijn jeugd al interesse voor
theater. Het lag dan ook voor de hand dat hij zich als componist richtte
op opera. Hij had daarbij veel aandacht voor het koor, gesteund door
lessen van Tebaldini. Deze was één van de eerste Italiaanse musicologen,
die zijn leerlingen het vroeg Italiaanse contrapunt van o.a. Gesualdo en
Monteverdi liet bestuderen. Ook in de 'tre composizioni corali' is de
oude polyfone compositietechniek te vinden.
Het eerste lied is op Italiaanse tekst van G. D'annunzio, een vroegere
vriend van Pizzetti. Hoewel Pizzetti meer uit was op het componeren van
een totaalbeeld, zijn sommige tekstdetails direct in de muziek terug te
vinden: het water dat van de berg stroomt aan het eind van het lied.
Het tweede en derde lied zijn gecomponeerd op bijbelse teksten. Er komt
een aantal gepassioneerde uitbarstingen in voor, die gezien het moment
van componeren (1942-1943) verklaarbaar zijn.
Luigi Dallapiccola (1904-1975) heeft tijdens zijn jeugd een tijd lang in
Graz gewoond, waar hij veel opera's bezocht van Mozart en Wagner. Terug
in Italië verdiepte hij zich tijdens zijn opleiding ook in vroegere
Italiaanse muziek, met name die van Gesualdo en Monteverdi. Later werd
hij de belangrijkste pionier van twaalftoonsmuziek in Italië. Over deze
keuze zegt hij zelf: ‘As we all know, it sometimes takes just one
significant event to determine the direction of one's whole life. Mine
was determined on the night of the first of April 1924, when I saw
Arnold Schönberg conduct his 'Pierrot Lunaire' at the Sala Bianca in the
Palazzo Pitti.’ De twee delen uit '6 Cori di Michelangelo Buonarroti il
Giovane' (1933) tonen meer een Franse invloed op Dallapiccola's
componeren door het bestuderen van Debussy en Ravel. Het zijn
madrigaalachtige stukken op oude komische teksten van een achterneef van
Michelangelo. Door tempowisselingen, dynamische verschillen en het
afwisselen van verschillende groepen binnen het zesstemmige koor, wordt
de tekst zeer levendig en direct uitgedrukt. |