home

nieuws

informatie

projecten

concerten

repetities

audio

contact

 

project 31

Magnificat anima mea

najaar 2010

 

 

 

 

 

 

boekje

deelnemers

 

 

 

 

 

zomerkoor

recepten

links

repertoire

Manuel Cardoso
Magnificat

Arvo Pärt
Sieben Magnificat-Antiphonen
Magnificat
Nunc Dimittis

Daan Manneke
Cantique de Siméon

Herman Strategier
Magnificat-Antifonen


Toelichting bij het programma

 

In dit project staat het Magnificat centraal, de lofzang van Maria, die zich verheugt over de grootsheid van God de Heer die haar moeder van de Heiland maakt. Het is een van de Cantica, bijbelse gezangen uit verschillende boeken van het Oude en Nieuwe Testament. De tekst vinden we in Lucas 1, vers 46-55.

Het Magnificat heeft een vaste plaats in de Vespers, het dagelijkse avondgebed in Rooms-katholieke kloosters. Zo hoort het Nunc Dimittis, de lofzang van Simeon, thuis in de Completen, de gebedsdienst waarmee elke dag wordt afgesloten. De tekst van het Nunc Dimittis komt uit Lucas 2, vers 29-32. Het is de hymne die Simeon uitspreekt als hij Jezus en zijn ouders ontmoet in de tempel en hem herkent als de Zoon van God.                                                   

In de adventstijd voegt men aan het Magnificat een kort gebed aan de Zoon van Maria toe, een Magnificat-antifoon. Een antifoon is een liturgisch vers dat voor en na de psalmen gezongen kan worden. Het is oorspronkelijk een beurtzang tussen twee halve koren, of tussen priester en koor. De antifoon heeft in de loop der tijd echter grotendeels zijn antifonaal, afwisselend karakter verloren en is direct geworden.

De zeven Magnificat-antifonen hebben evenals het Magnificat en het Nunc Dimittis hun plaats in het brevier, het Rooms-katholieke getijdenboek. Ze worden ook wel ‘O-antifonen’ genoemd omdat iedere aanroep begint met de ‘O’ van verwondering en verwachting. De Zoon van Maria wordt vervolgens met de volgende namen aangeroepen:

Sapientia (Wijsheid)

Adonai (Heer)

Radix Jesse (Wortel van Jesse)

Clavis David (Sleutel van David)

Oriens (Opgaande zon)

Rex Gentium (Koning der Volken)

Emmanuel (God bij ons)

Als je de beginletters van onder naar boven leest, dan ontstaat het acrostichon (gedicht waarvan de eerste letters van elke regel of strofe een naam of spreuk vormen) ‘ERO CRAS’: morgen zal Ik er zijn.

De teksten zijn vol van geheimzinnige mystiek en zeer beeldend.


Arvo Pärt (1935)

In 2010 wordt in diverse concerten gevierd dat Arvo Pärt dit jaar 75 jaar wordt. Pärt werd geboren in Paide, een kleine stad vlak bij Tallinn, de hoofdstad van Estland. Pärt studeerde aan het conservatorium van Tallinn bij de compositieleraar professor Heino Eller. De bezetting door de Sovjet-Unie in 1944, die meer dan vijftig jaar zou duren, had grote invloed op zijn leven en zijn muziek.
 
De spraakmakende techniek die hij uitvond en vrijwel zonder uitzondering in al zijn stukken heeft toegepast, noemt hij tintinnabulatie (van het Latijnse ‘tintinnabuli’, kleine bellen). Hij omschrijft hem als volgt: ‘Ik heb ontdekt dat het genoeg is wanneer een enkele noot prachtig gespeeld wordt. Deze ene noot, of een geruisloze maatslag, of een moment van stilte, troost me. Ik werk met zeer weinig elementen - met één stem, twee stemmen. Ik bouw met primitieve materialen - met de drieklank, met één specifieke tonaliteit. De drie noten van een drieklank zijn als bellen en dat is waarom ik het tintinnabulatie noem.’

Het basisprincipe achter tintinnabulatie is dat twee stemmen tegelijkertijd klinken als één lijn - één stem stapsgewijs bewegend van en naar een centrale toonhoogte, eerst omhoog dan omlaag, en de andere op klanken van de noten van de drieklank . Pärt paste deze compositieleer voor het eerst toe in het korte pianostuk Für Alina.

Sinds hij Estland verliet om zich in Berlijn te vestigen, heeft Pärt zich geconcentreerd op de zetting van muziek op religieuze teksten, die veelvuldig worden uitgevoerd door koren en ensembles over de hele wereld.

Het Magnificat en de Sieben Magnificat Antiphonen schreef Pärt in de jaren ’80 van de twintigste eeuw, de periode waarin hij spirituele muziek begon te componeren. Het zijn duidelijke voorbeelden van zijn tintinnabulatietechniek. In het Magnificat gebruikt hij de oorspronkelijke responsoriale vorm tussen soli en tutti. De sologedeelten zijn tweestemmig, de solosopraan reciteert de tekst op een C en wordt daarbij begeleid door steeds één andere stem uit het koor. De tutti gedeeltes worden door steeds wisselende driestemmige combinaties uit het koor gezongen. Soms worden die in het octaaf verdubbeld waarmee een volle zesstemmigheid wordt gesuggereerd. Het resultaat is een zeer sereen klankveld dat heel treffend expressie geeft aan de verrukte en liefdevolle vreugde van de maagd Maria.

In de Sieben Magnificat Antiphonen heeft ieder deel een heel eigen karakter, zonder dat de tekst direct in muziek wordt uitgebeeld. Het zijn kleine veranderingen in tonaliteit, dynamiek en stuctuur van de koorstemmen waarmee Pärt betoverende klankkleuren weet te creëren.

Het Nunc Dimittis dateert uit 2001. Pärt gebruikt nog steeds de tintinnabulatie, maar heeft die verrijkt met een hele wereld aan nieuwe kleuren en texturen. Het grote verschil met het Magnificat is dat niet alle stemmen tegelijkertijd wisselen van lettergreep. De enige overeenkomst is dat beide stukken gebruik maken van een sopraansolo.

Cardoso, Strategier en Manneke

De muziek van Arvo Pärt wordt afgewisseld met stukken van andere componisten op dezelfde teksten.

Manuel Cardoso was een Portugees componist en organist. Samen met Duarte Lobo en John IV van Portugal, vertegenwoordigde hij het ‘gouden tijdperk’ van de Portugese polyfonie.

Cardoso werd geboren in Fronteira, in de buurt van Portalegre, waarschijnlijk in 1566. Hij studeerde aan de Colegio dos Moços do Coro, een koorschool van de Évora-kathedraal. In 1588 trad hij toe tot de Karmelietenorde. Voor het grootste deel van zijn carrière was hij componist en organist aan het Convento do Carmo. Hij stierf in Lissabon.

Cardoso's werken zijn geschreven in de stijl van Palestrina, een verfijnde, precieze polyfonie die volledig voorbijgaat aan de ontwikkeling van het barokidioom elders in Europa. Zijn stijl heeft veel gemeen met die van Da Victoria in zijn zorgvuldige behandeling van dissonantie. Drie boeken met missen zijn overgeleverd, waarvan er veel gebaseerd zijn op motetten geschreven door koning Johan IV zelf, en andere op motetten van Palestrina. Cardoso’s werken werden op grote schaal gepubliceerd, vaak met financiële hulp van koning Johan IV. Veel van zijn werken, vooral de uitgebreide meerkorige composities, die waarschijnlijk het meest vooruitstrevend waren, werden vernietigd door de aardbeving en brand in Lissabon van 1755.

Zijn vijfstemmige Magnificat secundi toni komt uit de eerste van twee bundels met Magnificatzettingen. Traditiegetrouw wisselt hij eenstemmige gregoriaanse verzen af met polyfone gedeeltes. Opvallend is de zetting van het ‘Esurientes’, over de hongerigen die goed bedeeld zullen worden. De alten en bassen zingen dit gedeelte niet mee, waardoor een lichte structuur ontstaat. Daarna ontvouwt het stuk zich in een stijgend motief, dat uitmondt in de doxologie ‘Gloria Patri’ waar een tweede altpartij wordt toegevoegd, zodat het werk eindigt met een stralend slot.

Daan Manneke is geboren in 1939 in Kruiningen (Zeeland). Hij studeerde compositie en orgel in Tilburg, Brugge en Brussel. Zijn leven en composities worden beslissend beïnvloed door zijn leermeester en vriend Ton de Leeuw, die in Nederland jarenlang de enige voorvechter en kenner was van niet-westerse muziek. Het is Ton de Leeuw die Manneke in contact brengt met Olivier Messiaen, bij wie hij enige lessen volgt.

Na jarenlang organist te zijn geweest, wordt Daan Manneke in 1972 docent orgel aan het conservatorium van Amsterdam. Vanaf 1986 is hij tevens docent compositie, en heeft hij een groot aantal jonge componisten weten te inspireren.

Daan Manneke is oprichter van het kamerkoor ‘Capella Breda’, een koor waarmee hij tal van programma’s ten gehore heeft gebracht die ook voor zijn eigen denken over muziek belangrijk waren. Het koor zingt regelmatig werken van Arvo Pärt, aan wie Cantique de Siméon is opgedragen.

Manneke heeft zich uiteraard bezig gehouden met de twaalftoonstechniek en het serialisme, technieken die het twintigste-eeuwse denken over muziek diepgaand hebben bepaald. Meestal hanteert hij echter heel andere uitgangspunten: contrasten, modaliteit, bourdontonen, boventoonreeksen, kerktoonaarden. In veel muziek van Manneke is op een of andere manier een vorm van ‘grondtonigheid’ hoorbaar. Cantique de Siméon is daarvan een goed voorbeeld. Het stuk ademt door de modale samenklanken en de versieringen een Middeleeuws karakter.

Herman Strategier (1912 – 1988) studeerde aan de R.K. Kerkmuziekschool in Utrecht piano, theorie, orgel en compositie bij onder meer Hendrik Andriessen. Hij was als docent theorie verbonden aan het Instituut voor Muziekwetenschap van de Rijksuniversiteit in Utrecht. Als dirigent leidde hij het Nederlands Madrigaalkoor in Leiden. Daarnaast leidde hij verschillende kerkkoren en was hij lange tijd organist van de kathedrale St. Catharinakerk in Utrecht.

Het idioom van Herman Strategier is Frans georiënteerd. Weliswaar zijn in zijn vroege werken nog sporen te vinden van zijn leermeester Hendrik Andriessen, maar Strategier wist een eigen taal te ontwikkelen, waarin zijn bewondering voor componisten als Fauré, Poulenc, Boulanger, Debussy en anderen de artistieke zeggingskracht mede bepaalt. Zijn muziek wordt gekarakteriseerd door ingetogenheid naast uitbundigheid, vrolijkheid en dramatiek. Strategier schreef een kleine vierhonderd werken, waarvan ca. tweehonderd voor de Rooms-katholieke eredienst of in elk geval met een religieus karakter.

Zijn zetting van de Magnificat-antifonen heeft een modaal karakter. De ritmiek is zeer vrij, waardoor in de muziek het spreekritme van de tekst behouden blijft.

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 Deze pagina is bijgewerkt op maandag 24 mei 2010 13:12