In dit project staat het Magnificat centraal, de
lofzang van Maria, die zich verheugt over de grootsheid van God de
Heer die haar moeder van de Heiland maakt. Het is een van de Cantica,
bijbelse gezangen uit verschillende boeken van het Oude en Nieuwe
Testament. De tekst vinden we in Lucas 1, vers 46-55.
Het Magnificat heeft een vaste plaats in de
Vespers, het dagelijkse avondgebed in Rooms-katholieke kloosters. Zo
hoort het Nunc Dimittis, de lofzang van Simeon, thuis in de
Completen, de gebedsdienst waarmee elke dag wordt afgesloten. De
tekst van het Nunc Dimittis komt uit Lucas 2, vers 29-32. Het is de
hymne die Simeon uitspreekt als hij Jezus en zijn ouders ontmoet in
de tempel en hem herkent als de Zoon van God.
In de
adventstijd voegt men aan het Magnificat een kort gebed aan de Zoon
van Maria toe, een Magnificat-antifoon. Een antifoon is een
liturgisch vers dat voor en na de psalmen gezongen kan worden. Het
is oorspronkelijk een beurtzang tussen twee halve koren, of tussen
priester en koor. De antifoon heeft in de loop der tijd echter
grotendeels zijn antifonaal, afwisselend karakter verloren en is
direct geworden.
De zeven
Magnificat-antifonen hebben evenals het Magnificat en het Nunc
Dimittis hun plaats in het brevier, het Rooms-katholieke
getijdenboek. Ze worden ook wel ‘O-antifonen’ genoemd omdat iedere
aanroep begint met de ‘O’ van verwondering en verwachting. De Zoon
van Maria wordt vervolgens met de volgende namen aangeroepen:
Sapientia
(Wijsheid)
Adonai (Heer)
Radix Jesse
(Wortel van Jesse)
Clavis David
(Sleutel van David)
Oriens
(Opgaande zon)
Rex Gentium (Koning der Volken)
Emmanuel (God bij ons)
Als je de
beginletters van onder naar boven leest, dan ontstaat het
acrostichon (gedicht waarvan de eerste letters van elke regel of
strofe een naam of spreuk vormen) ‘ERO CRAS’: morgen zal Ik er zijn.
De teksten zijn
vol van geheimzinnige mystiek en zeer beeldend.
Arvo Pärt (1935)
In 2010 wordt
in diverse concerten gevierd dat Arvo Pärt dit jaar 75 jaar wordt.
Pärt werd geboren in Paide, een kleine stad vlak bij Tallinn, de
hoofdstad van Estland. Pärt studeerde aan het
conservatorium van Tallinn bij de
compositieleraar
professor
Heino Eller. De
bezetting door de
Sovjet-Unie in 1944, die meer dan
vijftig jaar zou duren, had grote invloed op zijn leven en zijn
muziek.
De spraakmakende
techniek die hij uitvond en vrijwel
zonder uitzondering in al zijn stukken heeft toegepast, noemt hij
tintinnabulatie (van het Latijnse ‘tintinnabuli’, kleine
bellen). Hij omschrijft hem als volgt: ‘Ik heb ontdekt dat het
genoeg is wanneer een enkele
noot prachtig gespeeld wordt. Deze
ene
noot, of een geruisloze
maatslag, of een moment van stilte,
troost me. Ik werk met zeer weinig elementen - met één
stem, twee
stemmen. Ik bouw met primitieve
materialen - met de drieklank, met één specifieke
tonaliteit. De drie noten van een
drieklank zijn als bellen en dat is waarom ik het tintinnabulatie
noem.’
Het
basisprincipe achter tintinnabulatie is dat twee
stemmen tegelijkertijd klinken als
één lijn - één
stem stapsgewijs bewegend van en
naar een centrale
toonhoogte, eerst omhoog dan
omlaag, en de andere op klanken van de noten van de drieklank . Pärt
paste deze compositieleer voor het eerst toe in het korte pianostuk
Für Alina.
Sinds hij Estland verliet om zich in Berlijn te vestigen, heeft Pärt
zich geconcentreerd op de
zetting van muziek op
religieuze teksten, die veelvuldig
worden uitgevoerd door koren en
ensembles over de hele wereld.
Het
Magnificat en de Sieben Magnificat Antiphonen schreef
Pärt in de jaren ’80 van de twintigste eeuw, de periode waarin hij
spirituele muziek begon te componeren. Het zijn duidelijke
voorbeelden van zijn tintinnabulatietechniek. In het Magnificat
gebruikt hij de oorspronkelijke responsoriale vorm tussen soli
en tutti. De sologedeelten zijn tweestemmig, de solosopraan
reciteert de tekst op een C en wordt daarbij begeleid door steeds
één andere stem uit het koor. De tutti gedeeltes worden door steeds
wisselende driestemmige combinaties uit het koor gezongen. Soms
worden die in het octaaf verdubbeld waarmee een volle zesstemmigheid
wordt gesuggereerd. Het resultaat is een zeer sereen klankveld dat
heel treffend expressie geeft aan de verrukte en liefdevolle vreugde
van de maagd Maria.
In de Sieben
Magnificat Antiphonen heeft ieder deel een heel eigen karakter,
zonder dat de tekst direct in muziek wordt uitgebeeld. Het zijn
kleine veranderingen in tonaliteit, dynamiek en stuctuur van de
koorstemmen waarmee Pärt betoverende klankkleuren weet te creëren.
Het Nunc
Dimittis dateert uit 2001. Pärt gebruikt nog steeds de
tintinnabulatie, maar heeft die verrijkt met een hele wereld aan
nieuwe kleuren en texturen. Het grote verschil met het Magnificat is
dat niet alle stemmen tegelijkertijd wisselen van lettergreep. De
enige overeenkomst is dat beide stukken gebruik maken van een
sopraansolo.
Cardoso,
Strategier en Manneke
De muziek van
Arvo Pärt wordt afgewisseld met stukken van andere componisten op
dezelfde teksten.
Manuel Cardoso
was een Portugees componist en organist. Samen met
Duarte Lobo
en John IV van Portugal, vertegenwoordigde hij het ‘gouden tijdperk’
van de Portugese polyfonie.
Cardoso werd geboren in Fronteira,
in de buurt van Portalegre, waarschijnlijk in 1566. Hij studeerde
aan de Colegio dos Moços do Coro, een koorschool van de
Évora-kathedraal. In 1588 trad hij toe tot de Karmelietenorde. Voor
het grootste deel van zijn carrière was hij componist en organist
aan het Convento do Carmo. Hij stierf in Lissabon.
Cardoso's
werken zijn geschreven in de stijl van
Palestrina, een verfijnde, precieze
polyfonie die volledig voorbijgaat aan de ontwikkeling van het
barokidioom elders in Europa. Zijn stijl heeft veel gemeen met die
van Da
Victoria in zijn zorgvuldige
behandeling van dissonantie. Drie boeken met missen zijn
overgeleverd, waarvan er veel gebaseerd zijn op motetten geschreven
door koning Johan IV zelf, en andere op motetten van
Palestrina. Cardoso’s werken werden
op grote schaal gepubliceerd, vaak met financiële hulp van koning
Johan IV. Veel van zijn werken, vooral de uitgebreide meerkorige
composities, die waarschijnlijk het meest vooruitstrevend waren,
werden vernietigd door de aardbeving en brand in Lissabon van 1755.
Zijn
vijfstemmige Magnificat secundi toni komt uit de eerste van
twee bundels met Magnificatzettingen. Traditiegetrouw wisselt hij
eenstemmige gregoriaanse verzen af met polyfone gedeeltes. Opvallend
is de zetting van het ‘Esurientes’, over de hongerigen die goed
bedeeld zullen worden. De alten en bassen zingen dit gedeelte niet
mee, waardoor een lichte structuur ontstaat. Daarna ontvouwt het
stuk zich in een stijgend motief, dat uitmondt in de doxologie
‘Gloria Patri’ waar een tweede altpartij wordt toegevoegd, zodat het
werk eindigt met een stralend slot.
Daan Manneke
is geboren in 1939 in Kruiningen (Zeeland). Hij studeerde compositie
en orgel in Tilburg, Brugge en Brussel. Zijn leven en composities
worden beslissend beïnvloed door zijn leermeester en vriend Ton de
Leeuw, die in Nederland jarenlang de enige voorvechter en kenner was
van niet-westerse muziek. Het is Ton de Leeuw die Manneke in contact
brengt met Olivier Messiaen, bij wie hij enige lessen volgt.
Na jarenlang
organist te zijn geweest, wordt Daan Manneke in 1972 docent orgel
aan het conservatorium van Amsterdam. Vanaf 1986 is hij tevens
docent compositie, en heeft hij een groot aantal jonge componisten
weten te inspireren.
Daan Manneke is
oprichter van het kamerkoor ‘Capella Breda’, een koor waarmee hij
tal van programma’s ten gehore heeft gebracht die ook voor zijn
eigen denken over muziek belangrijk waren. Het koor zingt regelmatig
werken van Arvo Pärt, aan wie Cantique de Siméon is
opgedragen.
Manneke heeft
zich uiteraard bezig gehouden met de twaalftoonstechniek en het
serialisme, technieken die het twintigste-eeuwse denken over muziek
diepgaand hebben bepaald. Meestal hanteert hij echter heel andere
uitgangspunten: contrasten, modaliteit, bourdontonen,
boventoonreeksen, kerktoonaarden. In veel muziek van Manneke is op
een of andere manier een vorm van ‘grondtonigheid’ hoorbaar.
Cantique de Siméon is daarvan een goed voorbeeld. Het stuk ademt
door de modale samenklanken en de versieringen een Middeleeuws
karakter.
Herman
Strategier (1912 – 1988)
studeerde aan de R.K. Kerkmuziekschool in Utrecht piano, theorie,
orgel en compositie bij onder meer Hendrik Andriessen. Hij was als
docent theorie verbonden aan het Instituut voor Muziekwetenschap van
de Rijksuniversiteit in Utrecht. Als dirigent leidde hij het
Nederlands Madrigaalkoor in Leiden. Daarnaast leidde hij
verschillende kerkkoren en was hij lange tijd organist van de
kathedrale St. Catharinakerk in Utrecht.
Het idioom van
Herman Strategier is Frans georiënteerd. Weliswaar zijn in zijn
vroege werken nog sporen te vinden van zijn leermeester Hendrik
Andriessen, maar Strategier wist een eigen taal te ontwikkelen,
waarin zijn bewondering voor componisten als Fauré, Poulenc,
Boulanger, Debussy en anderen de artistieke zeggingskracht mede
bepaalt. Zijn muziek wordt gekarakteriseerd door ingetogenheid naast
uitbundigheid, vrolijkheid en dramatiek. Strategier schreef een
kleine vierhonderd werken, waarvan ca. tweehonderd voor de
Rooms-katholieke eredienst of in elk geval met een religieus
karakter.
Zijn zetting
van de Magnificat-antifonen heeft een modaal karakter. De ritmiek is
zeer vrij, waardoor in de muziek het spreekritme van de tekst
behouden blijft.
|