|
|
project 32
|
|
|
Via Crucis
voorjaar 2011 Franz Liszt Via Crucis Zoltán Kodály Missa Brevis Toelichting bij het programma De Hongaarse componist Ferenc/Franz Liszt is in 1822 uit een Duits adellijk geslacht geboren. Zijn vader was rentmeester aan het hof van de Esterhazy’s in Hongarije. Toen op zeer vroege leeftijd bleek dat Ferenc muzikaal zeer begaafd was vertrok het gezin naar Wenen, waar Liszt met een studiebeurs van Hongaarse edelen les kreeg bij Beethovens leerling Carl Czerny. Zijn eerste openbare optreden in Wenen was een groot succes. In 1823 trokken ze naar Parijs, maar Cherubini die een hekel had aan muzikale wonderkinderen, weigerde hem aan het conservatorium. Desondanks werd hij spoedig het lievelingskind van de Parijse salons. Vaak stonden lange rijen muziekliefhebbers voor de ingang van de concertzaal als Liszt optrad. Zijn specialiteit was het herschrijven van melodieën van andere componisten. Hij kon bijvoorbeeld extreem moeilijke improvisaties geven op een populaire operamelodie. In 1835 trouwde Liszt met gravin Marie d'Agoult, die hem drie dochters schonk. Eén daarvan is Cosima, die eerst trouwde met de dirigent Hans von Bülow en daarna met de componist Richard Wagner. Hij maakt diverse concertreeksen door heel Europa en wordt in 1842 tot buitengewoon hofkapelmeester benoemd wordt in Weimar. Van daaruit maakt hij propaganda voor de muziek van zijn geestelijke vader Berlioz en (echte) schoonzoon Wagner. Aan het eind van zijn leven gooit Liszt het roer om en vraagt in Rome de lagere wijdingen van de Rooms-Katholieke Kerk aan in 1865. Hij beperkt zijn concertreizen als bravoure-pianist tot een minimum, om zoveel mogelijk te componeren, en vertoont zich alleen nog in priestertoog. Franz Liszt sterft op 31 juli 1886 in Bayreuth, waar hij zijn dochter Cosima te hulp gesneld was om het Festspielhaus boven water te houden na de dood van Wagner. Hij sterft in de armen van Cosima, kort na een triomfale opvoering van de opera Tristan und Isolde. Via Crucis is een compositie voor gemengd koor, solisten, en orgel of harmonium, danwel piano. Het werk is gewijd aan de veertien kruiswegstaties die het lijdensverhaal van Christus vertellen. Het is een van de laatste werken van Liszt. Hij begon met het componeren ervan toen hij in het najaar van 1878 in Rome verbleef. Hij voltooide het werk in 1879 in Boedapest. De oorspronkelijke versie is voorzien van orgelbegeleiding. Later maakte Liszt zelf een versie met pianobegeleiding. Het werk heeft een bijzondere plaats in het oeuvre van Liszt vooral omdat het een werk is dat oproept tot grote verstilling. Kenmerkend is ook dat Liszt in dit werk de grenzen van de tot dan toe gangbare tonaliteit opzoekt. Het werk combineert unisonozang (staties I en XIV) met Lutheraanse hymnen (Staties IV en XII) en op Bach geďnspireerde koralen (statie VI). Daarnaast is een deel van de staties voor orgelsolo. Liszt had de bedoeling het werk in het Colosseum uit te voeren, met harmoniumbegeleiding. In het gezin van Zoltán Kodály (1882 – 1967) werd veel gemusiceerd en al vroeg raakte Zoltán zo geďnteresseerd dat hij op eigen houtje in de muziekbibliotheek werken van grote componisten ging bestuderen. Hij studeerde in Boedapest cello en compositie en promoveerde in 1906 op een proefschrift over de Hongaarse volksmuziek. Na een studiereis door Europa legt hij zich definitief toe op het verzamelen van volksliederen en –dansen. Samen met Béla Bartók graaft hij tot in de verste uithoeken van het land naar de restanten van volksliederen, gewapend met muziekpapier en opnameapparatuur. Daarnaast is Kodály actief als componist en met de Psalmus Hongaricus uit 1923 hoort hij in één klap tot de muzikale wereldelite. Uitgaand van de volksmuziek ontwikkelt hij een solfčgemethode voor het muziekonderwijs die een complete leergang betreft voor jonge kinderen tot scholing van componisten. Kodály componeerde vooral koormuziek, waarin de grote samenhang tussen tekst en muziek opvalt, ze ademen op eenzelfde manier. Zijn laatste werk in 1966 voorzag hij van de volgende tekst: onze tijd van mechaniseren leidt langs een weg die eindigt met de mens als machine; slechts de kracht van zingen kan ons van dat lot redden. Dit kenmerkt Kodály, voor wie de pracht van de menselijke stem en de schoonheid van zang onovertroffen waren. De Missa Brevis voor koor en orgel componeerde Kodály in 1944 tijdens hevige gevechten in Boedapest en kreeg daarom als ondertitel In tempore belli, in oorlogstijd. Vooral in het “Dona nobis pacem”, Geef ons vrede, is een intense geladenheid merkbaar. De mis is ontstaan tijdens een verblijf op het platteland waar Kodály gevraagd werd een “stille” mis, een mis zonder gezongen of gesproken woord, te spelen op een harmonium. Hij had de muziek kunnen improviseren, maar koos ervoor per onderdeel van de mis een stuk te schrijven dat de gevoelslading ervan zou dekken. Hij maakte hiervoor allemaal eigen melodieën, in tegenstelling tot veel andere stukken waarin hij oude melodieën uit het Gregoriaans of de volksmuziek als basis gebruikte. De versie voor koor en orgel is bijna identiek aan het oorspronkelijke werk. Naast de vaste misdelen heeft het stuk twee extra delen. Een preludium aan het begin: “Introďtus” voor orgelsolo en aan het eind een postludium: “Ite missa est”, de wegzending en zegen. De premičre van het stuk vond plaats op 11 februari 1945 in de kelders van de opera in Boedapest, een paar dagen voor de bevrijding van de stad. |
||
|
Deze pagina is bijgewerkt op 6 december 2010 |
||