Schütz

Schuetz_Poster_klAls ik aan muziek van Heinrich Schütz denk, komen er associaties boven als: rust, traagheid, treurnis en troost. Het eerste stuk dat ik van Schütz zong was het motet Die mit Tränen säen”. Een werk met een prachtige langzame opzet waarin de componist als het ware muzikaal de tranen zaait. De volgende regel staat hiermee in groot contrast. Op de tekst “werden mit Freuden ernten” volgt er een zeer vrolijk en dansachtig motief. Ik weet nog dat ik het toen vreemd vond dat verdriet en vreugde elkaar zo snel afwisselden, en zelfs in causaal verband met elkaar stond: zij die met tranen zaaien, zullen vreugde erven. Voor mijzelf vormden de langzame, doorleefde klanken van het tranengedeelte veel meer de troost dan de hupsige “Freude”.

De muziek van de Musikalische Exequien kent ook deze plotselinge overgangen van verdriet naar vreugde, van dood naar leven. Eén van de koorleden wees me erop dat Schütz veelvuldig met de dood geconfronteerd werd. Hij leefde in een tijd van forse verliezen in oorlogen en van hoge kindersterfte. Ook Schütz zelf verloor veel van zijn naaste familieleden. Misschien leer je in zo’n situatie om de dood een plaats midden in het leven te geven, omdat afwisseling van vreugde en verdriet aan de orde van de dag zijn.

Muziek kan een belangrijke rol spelen bij het verwerken van het verlies van een dierbaar persoon. Vooral het begin van het derde gedeelte van de Musikalische Exequien geven mij een gevoelen van troost en rust. Het is een prachtig moment als boven de sonore, trage klanken van het alten- en mannenkoor de sopranen en baritons “selig sind die Toten” inzetten, alsof het recht uit de hemel komt.

Naast deze muziek hebben wij gekozen voor werken die een groot contrast vormen met de Musikalische Exequien, hoewel er toch een duidelijke verbinding is. Vòòr de pauze zingen wij een gedeelte uit het Poolse Requiem van de 20e-eeuwse componist Penderecki. Dit is ook muziek die geschreven is voor een begrafenis, waarvan de klanken opbouwen van weeklagende akkoorden, via schrijnende dissonanten naar een cluster van tonen, dat klinkt als een wanhopige schreeuw.

Na de pauze laten we een geheel andere Schütz horen in twee Italiaanse madrigalen. Zij gaan eveneens over het verwerken van verdriet, maar in deze liederen gaat het om liefdesverdriet.

Als contrast met deze madrigalen brengen we nogmaals 20e-eeuwse muziek uit Noord-Oosteuropa. Eisler neemt muziek zoals de madrigalen van Schütz op de hak en stelt dat dit soort liederen alleen maar afleiden van het doel waarmee Eisler zelf componeert: de strijd voor rechtvaardigheid en gelijkheid van de maatschappelijke klassen.

Muziek van een heel andere aard, maar vergelijkbaar in intensiteit.

Boekenlegger op de permalink.

Reacties gesloten